Deze pagina is onder constructie en wordt in de maand september getest
Omschrijving beheertypen grazige begroeiingen: bermen, taluds, grasland en hun bijen
Aan de hand van dit overzicht kan worden vastgesteld wat het beste beheer is voorn wilde bijen.
1 bepaal de bodemeigenschappen/grondsoort
2 Kies een beheertype (een van de links)
3 Welke kenmerkende plantensoorten komen er voor?, Kunnen deze door beheer worden bevorderd?. Als deze plantensoorten vroeger wel voorkwamen en zijn verdwenen, kunnen deze dan worden geïntroduceerd.
4 Welke overige plantensoorten komen voor?
5 Welke planten zijn belangrijk voor gespecialiseerde (gemerkt met een #) en minde algemene tot zeldzame bijen.
6 Komen deze bijen ook in de naaste omgeving (bijvoorbeeld binnen een straal van 10 km) voor.
7 Wanneer vliegen deze bijen en wat betekent dat voor het tijdstip van het beheer.
8 Is er voort de betreffende bijen binnen een straal van 20 tot 300 m nestgelegenheid aanwezig.
9 Zijn er mogelijkheden voor gefasserd maaien; 10-30% een seizoen of een jaar uit testellen?
Vanaf ieder beheerpagina (g0-G10) is alle informatie toegankelijk
G0 - Soorten van graslandvegetaties op brakke bodem
  Voorkomen -- vooral langs de kust en langs wateren die onder invloed staan van zeewater. Dit zijn onder meer de havengebieden van Amsterdam, Rotterdam, Delfzijl.
G1 -- Soorten van grasland- en biesachtige vegetaties op natte tot (zomer)vochtige, voedselarme bodems
De bodem is zuur tot /zwak zuure (soms en vooral langs de kust basische) bodem
  Voorkomen -- Vaak op natte schrale en zure bodems; buiten de natuurreservaten, in bermen, natte, maar in de zomer droogvallende greppels van wegbermen en spoorwegen, kanaalbermen vooral op lagere gedeelten
G2 -- grasland- en heidevegetaties op zandige, lemige bodems
De bodem is droog tot iets vochtige, voedselarm en zuur tot zwak zuur
  Voorkomen -- Vooral op heischrale bodems: weg-, spoor- en kanaalbermen en -taluds, zandafgravingen.
G3 -- graslandvegetaties op droge zandige bodems
Bodem overwegend droog, voedselarm tot iets voedselrijk, zwak zuur tot kalkhoudend
  Voorkomen -- Op allerlei schrale zandige plekken in het duingebied, pleistocene zandgronden, langs wegen, spoorwegen en kanalen
G4 -- graslandvegetaties op zandige, zavelige en krijt achtige bodems
De bodem overwegend (matig) droog , voedselarm tot iets voedselrijk, maar kalkhoudend
  Voorkomen -- In kalkgraslanden, in de duinen, rivierdijken en in spoor- en wegbermen, op spoorwegemplacementen en industrieterreinen in Zuid-Limburg en in het rivieren gebied.
G5 -- (verruigde) graslandvegetaties op kalkrijke löss, zavel en duinzand Bodem: zomerdroog tot vochthoudend, matig voedselrijk en kalkhoudend.
  Voorkomen -- In hoofdzaak op taluds en in bermen van hole wegen, rivierdijken, spoor- en autowegen. Op spoorwegemplacementen en op industrieterreinen.
G6 -- graslandvegetaties op zandige tot lichte lemige bodems
De bodem is droog tot vochthoudend en schraal tot matig voedselrijk.
  Voorkomen -- Op allerlei zandige bodems: bermen, dijken, industriële terreinen, zandafgravingen en natuurontwikkelingsterreinen.
G7-- graslandvegetaties op klei, kleiige en andere voedselrijke bodems
De bodem is vochtig, matig voedselrijk tot voedselrijk.
  Voorkomen -- Op allerlei plekken vooral op zware kleigronden en bemeste of zwaar vermeste bodems; vooral in agrarisch en stedelijk gebied.
G8 -- graslandvegetaties op natte schrale tot voedselrijke bodem
  Voorkomen -- In allerlei natte hooilanden: natte graslanden, beekdalen, boezemland, veenweidegebieden, waterkanten, plas-drasbermen
G9 -- graslandvegetaties op vochtige tot droge zeer voedselrijke bodems
  Voorkomen -- Op allerlei plekken vooral op zware kleigronden en bemeste of zwaar vermeste bodems; vooral in agrarisch en stedelijk gebied.
G10 -- grazige vegetaties met soorten van bos en bosranden
  Voorkomen -- Meestal in de omgeving van bos buiten de klei en laagveen gebieden; vaak als relicten van houtwallen, singels of bosjes.
--